waarheidvinding.nl  

Ga terug   waarheidvinding.nl > Gepriegel in de marge > Zin en onzin aangaande gedegen zelfonderzoek

Zin en onzin aangaande gedegen zelfonderzoek Zin en onzin aangaande gedegen zelfonderzoek

Reageren
 
Discussietools Zoek in deze discussie Weergave
Oud 21 augustus 2020, 19:17   #1
Nowee
Dignitaris
 
Nowee's schermafbeelding
 
Geregistreerd: 8 september 2017
Berichten: 1.145
Standaard Begrippen in het Gedegen Zelfonderzoek

In dit draadje breng ik de betekenis van begrippen naar voor die vaak gebruikt worden in het Gedegen Zelfonderzoek. Daarbij ben ik uitgegaan van de gelijke betekenis van de woorden (synoniemen) en vervolgens hun etymologische draagwijdte.
Hopelijk is er een bijdrage in het verstaan van elkaar in de discussies omtrent gedegen zelfonderzoek.
Bronnen: Synoniemen en Etymologie.

1. IK VERSUS EGO

ik en ego zijn synoniemen, zijn woorden van gelijke betekenis =

ik (zn):ego, individualiteit
ik (vnw):ikke, ikzelf
als synoniem van een ander trefwoord:
ego (zn) :identiteit, ik, persoonlijkheid

ETYMOLOGISCH:
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen
ik [pers. vnw.] {oudnederlands ik 901-1000, middelnederlands ic} oudsaksisch, oudfries, gotisch ik, oudhoogduits ih, oudengels ic, oudnoors ek; buiten het germ. latijn ego, grieks egō, oudkerkslavisch azŭ (russisch ja), oudindisch aham, Oudperzisch adam.

2. EGO - (IK, EIGENWAARDE, PERSOONLIJKHEID)

ETYMOLOGISCH:
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen
ego [ik] {ca. 1720} < latijn ego [ik], verwant met grieks egō, armeens es, oudindisch aham, gotisch ik, oudhoogduits ih (hoogduits ich), oudengels ic (engels I), nederlands ik. Van Nietzsche stamt de uitspraak: ‘overal waar ik ga, volgt mij een hond genaamd Ego’.

3. EIGENWAARDE - (HETGEEN MEN ALS PERSOONLIJKHEID WAARD IS, WAT MEN AAN ZICHZELF VERPLICHT IS)

4. EIGEN - (VAN IEMAND OF IETS ZELF, VERTROUWD)

ETYMOLOGISCH:
Het Middelnederlandse eigen was een multi-functioneel woord (werkwoord, bijvoeglijk en zelfstandig naamwoord) dat veel van zijn betekenissen en functies heeft overgedragen op nieuwere vormingen. Zo is de specifieke betekenis eigen ‘onvrij, als persoon een meester toebehorend’ overgegaan op de samenstelling lijfeigen (bn.), later gesubstantiveerd tot lijfeigene.
Het werkwoord eigen ‘moeten hebben, krijgen’ kwam ook voor met te plus infinitief in de betekenis ‘behoren, verplicht zijn’, zoals nog in het Engelse cognaat ought to; en als onovergankelijk werkwoord met de betekenis ‘passen, voegen’, zoals nog in Duits sich eignen. In het Nederlands kennen we nu alleen nog zich toe-eigenen en kan de lading van het oude werkwoord veelal worden gedekt door het bijwoord → eigenlijk.
De belangrijkste betekenis van het zn. mnl. eigen, in feite een substantivering van de onzijdige vorm van het bn., is overgegaan op → eigendom. De betekenis ‘bezitter’ [1460-1514; MNW] kwam ook voor en hoort nu bij eigenaar. Een zeer oude samenstelling van het zn. met ver- is nog te vinden in → vracht. Als zn. komt eigen nu alleen nog voor in de vaste verbinding als zijn eigen (ook met mijn etc.) ‘zich(zelf)’, zoals op zijn eigen wonen, kijk naar je eigen, ik ga m'n eigen wassen, en dan vooral in het Zuid-Nederlands
Andere samenstellingen met eigen zijn nog → eigenaardig, → eigengereid, → eigenlijk en → eigenwijs.
+ eigenaar zn. ‘bezitter’. Mnl. eygenaer [1508; MNHWS]. Afleiding met het achtervoegsel → -aar. + lijfeigene zn. ‘persoon die iemand toebehoort’. Vnnl. lijfeygen ‘slaaf’ [1573; MNW]. Samenstelling met → lijf ‘lichaam’, in het Middelnederlands ook ‘leven’. + toe-eigenen (zich) ww. ‘in bezit nemen’. Mnl. toegeeechent ‘toegekend’ [1393-1402; MNW]; vnnl. Hem seluen toeeygene ‘zich toe-eigenen’ [1573; WNT]. + [B]eigenschap[B] zn. ‘kenmerk’. Mnl. eygenscap ‘eigendom’ [14e eeuw; MNW], eigenscap ‘eigenschap’ [14e eeuw; MNW]. Afleiding met het achtervoegsel → -schap. In het Middelnederlands kwam vooral de betekenis ‘eigendom’ voor, en daarnaast nog diverse andere abstracte, inmiddels reeds lang verouderde betekenissen, zoals ‘eigenaardigheid’, ‘eigendomsrecht’, ‘lijfeigenschap’. De huidige betekenis is vanaf ongeveer de 18e eeuw de enige. + eigendom zn. ‘bezit’. Mnl. eigindom ‘bezit’ [1236; CG I, 29], eigendum ‘horigheid, (menselijk) bezit’ [1240; Bern.]. Ook mhd. eigentuom (nhd. Eigentum); ofri. ēgendōm. Afleiding met het achtervoegsel → -dom.

5. PERSOONLIJKHEID - (INDIVIDUALITEIT)

Persoonlijkheid (zn) als trefwoord met bijbehorende synoniemen: eigenheid, identiteit, inborst, individualiteit, karakter, personaliteit.
Persoonlijkheid (zn):figuur, mens, persoon.

6. IDENTITEIT

identiteit (v): als woordenboektrefwoord: volkomen overeenstemming.
identiteit (zn): als trefwoord met bijbehorende synoniemen: eigenheid, individualiteit, personaliteit, persoonlijkheid, zelf

7. ZELF

Zelf (aanw. vnw.) = Zelf, in eigen persoon. Ter benadrukking dat die eerder genoemde persoon of zaak bedoeld is en geen (al of niet expliciet genoemde) andere of dat het bijzonder is dat juist deze persoon of zaak aan de orde is.

+ zelf als trefwoord met bijbehorende synoniemen:
zelf (vnw): eigenhandig, hoogst persoonlijk, in eigen persoon, in hoogst eigen persoon, in persona, persoonlijk, zelve.
zelf (zn): identiteit, innerlijk, ziel

+ Zelf als synoniem van een ander trefwoord:
identiteit (zn): eigenheid, individualiteit, personaliteit, persoonlijkheid, zelf.
innerlijk (zn): binnenste, gemoed, hart, psyche, wezen, zelf, ziel.
persoonlijk (bw): hoogst persoonlijk, in eigen persoon, in hoogst eigen persoon, in persona, zelf, zelve.

8. ANDER - VNW., (NIET DEZELFDE)

ander (bn) als trefwoord met bijbehorende synoniemen: anders, divers, verscheiden, verschillend
ander (bn):tweede, volgende
ander (bn):alternatief

ander (vnw): overig; gewoon; tweede; nog een; verdere; naastliggende; volgend; vorig
Tweede (ander): het gewone ranggetal (lat. secundus), in welke zin het woord ook in de verwante oude talen (got., ohd., mhd., ags. enz.) in gebruik was.
Nowee is offline   Met citaat reageren
Oud 21 augustus 2020, 20:21   #2
Mihaela
Voormalig lid
 
Geregistreerd: 9 juli 2011
Berichten: 12.280
Standaard

Citaat:
Oorspronkelijk geplaatst door Nowee Bekijk bericht
In dit draadje breng ik de betekenis van begrippen naar voor die vaak gebruikt worden in het Gedegen Zelfonderzoek. Daarbij ben ik uitgegaan van de gelijke betekenis van de woorden (synoniemen) en vervolgens hun etymologische draagwijdte.
Hopelijk is er een bijdrage in het verstaan van elkaar in de discussies omtrent gedegen zelfonderzoek.
Bronnen: Synoniemen en Etymologie.

1. IK VERSUS EGO

ik en ego zijn synoniemen, zijn woorden van gelijke betekenis =

ik (zn):ego, individualiteit
ik (vnw):ikke, ikzelf
als synoniem van een ander trefwoord:
ego (zn) :identiteit, ik, persoonlijkheid

ETYMOLOGISCH:
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen
ik [pers. vnw.] {oudnederlands ik 901-1000, middelnederlands ic} oudsaksisch, oudfries, gotisch ik, oudhoogduits ih, oudengels ic, oudnoors ek; buiten het germ. latijn ego, grieks egō, oudkerkslavisch azŭ (russisch ja), oudindisch aham, Oudperzisch adam.

2. EGO - (IK, EIGENWAARDE, PERSOONLIJKHEID)

ETYMOLOGISCH:
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen
ego [ik] {ca. 1720} < latijn ego [ik], verwant met grieks egō, armeens es, oudindisch aham, gotisch ik, oudhoogduits ih (hoogduits ich), oudengels ic (engels I), nederlands ik. Van Nietzsche stamt de uitspraak: ‘overal waar ik ga, volgt mij een hond genaamd Ego’.

3. EIGENWAARDE - (HETGEEN MEN ALS PERSOONLIJKHEID WAARD IS, WAT MEN AAN ZICHZELF VERPLICHT IS)

4. EIGEN - (VAN IEMAND OF IETS ZELF, VERTROUWD)

ETYMOLOGISCH:
Het Middelnederlandse eigen was een multi-functioneel woord (werkwoord, bijvoeglijk en zelfstandig naamwoord) dat veel van zijn betekenissen en functies heeft overgedragen op nieuwere vormingen. Zo is de specifieke betekenis eigen ‘onvrij, als persoon een meester toebehorend’ overgegaan op de samenstelling lijfeigen (bn.), later gesubstantiveerd tot lijfeigene.
Het werkwoord eigen ‘moeten hebben, krijgen’ kwam ook voor met te plus infinitief in de betekenis ‘behoren, verplicht zijn’, zoals nog in het Engelse cognaat ought to; en als onovergankelijk werkwoord met de betekenis ‘passen, voegen’, zoals nog in Duits sich eignen. In het Nederlands kennen we nu alleen nog zich toe-eigenen en kan de lading van het oude werkwoord veelal worden gedekt door het bijwoord → eigenlijk.
De belangrijkste betekenis van het zn. mnl. eigen, in feite een substantivering van de onzijdige vorm van het bn., is overgegaan op → eigendom. De betekenis ‘bezitter’ [1460-1514; MNW] kwam ook voor en hoort nu bij eigenaar. Een zeer oude samenstelling van het zn. met ver- is nog te vinden in → vracht. Als zn. komt eigen nu alleen nog voor in de vaste verbinding als zijn eigen (ook met mijn etc.) ‘zich(zelf)’, zoals op zijn eigen wonen, kijk naar je eigen, ik ga m'n eigen wassen, en dan vooral in het Zuid-Nederlands
Andere samenstellingen met eigen zijn nog → eigenaardig, → eigengereid, → eigenlijk en → eigenwijs.
+ eigenaar zn. ‘bezitter’. Mnl. eygenaer [1508; MNHWS]. Afleiding met het achtervoegsel → -aar. + lijfeigene zn. ‘persoon die iemand toebehoort’. Vnnl. lijfeygen ‘slaaf’ [1573; MNW]. Samenstelling met → lijf ‘lichaam’, in het Middelnederlands ook ‘leven’. + toe-eigenen (zich) ww. ‘in bezit nemen’. Mnl. toegeeechent ‘toegekend’ [1393-1402; MNW]; vnnl. Hem seluen toeeygene ‘zich toe-eigenen’ [1573; WNT]. + [B]eigenschap[B] zn. ‘kenmerk’. Mnl. eygenscap ‘eigendom’ [14e eeuw; MNW], eigenscap ‘eigenschap’ [14e eeuw; MNW]. Afleiding met het achtervoegsel → -schap. In het Middelnederlands kwam vooral de betekenis ‘eigendom’ voor, en daarnaast nog diverse andere abstracte, inmiddels reeds lang verouderde betekenissen, zoals ‘eigenaardigheid’, ‘eigendomsrecht’, ‘lijfeigenschap’. De huidige betekenis is vanaf ongeveer de 18e eeuw de enige. + eigendom zn. ‘bezit’. Mnl. eigindom ‘bezit’ [1236; CG I, 29], eigendum ‘horigheid, (menselijk) bezit’ [1240; Bern.]. Ook mhd. eigentuom (nhd. Eigentum); ofri. ēgendōm. Afleiding met het achtervoegsel → -dom.

5. PERSOONLIJKHEID - (INDIVIDUALITEIT)

Persoonlijkheid (zn) als trefwoord met bijbehorende synoniemen: eigenheid, identiteit, inborst, individualiteit, karakter, personaliteit.
Persoonlijkheid (zn):figuur, mens, persoon.

6. IDENTITEIT

identiteit (v): als woordenboektrefwoord: volkomen overeenstemming.
identiteit (zn): als trefwoord met bijbehorende synoniemen: eigenheid, individualiteit, personaliteit, persoonlijkheid, zelf

7. ZELF

Zelf (aanw. vnw.) = Zelf, in eigen persoon. Ter benadrukking dat die eerder genoemde persoon of zaak bedoeld is en geen (al of niet expliciet genoemde) andere of dat het bijzonder is dat juist deze persoon of zaak aan de orde is.

+ zelf als trefwoord met bijbehorende synoniemen:
zelf (vnw): eigenhandig, hoogst persoonlijk, in eigen persoon, in hoogst eigen persoon, in persona, persoonlijk, zelve.
zelf (zn): identiteit, innerlijk, ziel

+ Zelf als synoniem van een ander trefwoord:
identiteit (zn): eigenheid, individualiteit, personaliteit, persoonlijkheid, zelf.
innerlijk (zn): binnenste, gemoed, hart, psyche, wezen, zelf, ziel.
persoonlijk (bw): hoogst persoonlijk, in eigen persoon, in hoogst eigen persoon, in persona, zelf, zelve.

8. ANDER - VNW., (NIET DEZELFDE)

ander (bn) als trefwoord met bijbehorende synoniemen: anders, divers, verscheiden, verschillend
ander (bn):tweede, volgende
ander (bn):alternatief

ander (vnw): overig; gewoon; tweede; nog een; verdere; naastliggende; volgend; vorig
Tweede (ander): het gewone ranggetal (lat. secundus), in welke zin het woord ook in de verwante oude talen (got., ohd., mhd., ags. enz.) in gebruik was.
Goeie zet Nowee..
Mihaela is offline   Met citaat reageren
Oud 21 augustus 2020, 21:29   #3
Mihaela
Voormalig lid
 
Geregistreerd: 9 juli 2011
Berichten: 12.280
Standaard

Citaat:
Oorspronkelijk geplaatst door Nowee Bekijk bericht
In dit draadje breng ik de betekenis van begrippen naar voor die vaak gebruikt worden in het Gedegen Zelfonderzoek.
Misschien ook een goed idee om uit de vele gesprekken over gzoz een apart draadje te maken. Alles bij elkaar geconcentreerd.
Mihaela is offline   Met citaat reageren
Reageren

Labels
Begrippen, gedegen zelfonderzoek

Discussietools Zoek in deze discussie
Zoek in deze discussie:

Geavanceerd zoeken
Weergave

Colofon
You may not post new threads
You may not post replies
You may not post attachments
You may not edit your posts

vB-code is Aan
Smileys zijn Aan
[IMG]-code is Aan
HTML-code is Uit

Forumnavigatie


Alle tijden zijn in GMT (+ 1:00 uur), het is in deze tijdzone nu 11:43.


Forumsoftware: vBulletin®, versie 3.8.11
Copyright ©2000 - 2023, Jelsoft Enterprises Ltd.
Cultural Forum | Study at Malaysian University